Bea Visser, een strijdbare dove vrouw


In de Stentor  medio 2010

Een leven vol strijd tegen weerstanden, barrières en jaloezie


Als klein meisje vroeg Bea Visser zich af waarom zij als enig kind in het Friese Akkerwoude doof was. Nu ze 72 is, gelooft ze dat haar doofheid voorbestemd was. "Ik heb een heleboel mensen kunnen helpen." Ze was de eerste die gebarentaalles ging geven aan vaak wanhopige ouders van dove kinderen. De Zwolse Petra Essink is een van die ouders. Van haar hand verscheen eind september een boek over het strijdbare leven van deze dove vrouw.


Anders zijn is niet gemakkelijk. Bea Visser kwam in 1936 doof ter wereld, als vierde en jongste kind in een hecht Fries gezin. In de kleine christelijke gemeenschap, waar het gezin toe behoorde, bepaalde de dominee wat er gebeurde. Bea mocht niet naar de nabijgelegen dovenschool in Groningen, maar moest naar de christelijke dovenschool Effatha in Voorburg.
De stoomtrein deed er acht uur over van Leeuwarden naar Den Haag. Alles bij elkaar duurde de reis van huis naar school tien uur. Ze was drie jaar, toen haar moeder haar achter moest laten in het grote internaat in Voorburg. Het was april en pas in de zomervakantie zou ze haar moeder weer terug zien. Het kleine meisje begreep er niets van. "Ik dacht dat 'mem' snel zou terugkeren en toen dat niet gebeurde kroop er een zware steen van verdriet in mijn buik."
Alleen tijdens de zomervakanties mocht ze naar huis. Terugkijkend beseft ze, dat haar ouders haar verwenden in die vakanties. Haar zussen en broer waren wel eens jaloers. "Was ik ook maar doof"zei haar zus op een keer. Later kwam het pijnlijk besef: "Misschien was het maar gelukkig voor hen dat ik na iedere vakantie weer vertrok. Dan werd het leven weer gewoon."
Toch ervaarde ze veel liefde en vriendschap in Friesland. De communicatie was beperkt, temeer daar het Fries veel keelklanken kent die voor een dove heel moeilijk af te lezen zijn. De dovenschool gaf haar ouders strenge instructies: thuis Nederlands praten en beslist geen gebarentaal. Gebarentaal was in die tijd verboden in het onderwijs. Alleen op het internaat mochten kinderen met elkaar gebaren. Men geloofde dat kinderen zo beter zouden leren praten en liplezen. Dat kinderen een enorme informatieachterstand opliepen door de gebrekkige communicatie, vond men minder belangrijk.
"Later word ik horend" heeft Visser wel gedacht zoals zoveel dove kinderen, die in hun jeugd nooit een volwassen dove zien.

Koningin Wilhelmina
Ook op de dovenschool was Bea Visser anders dan de andere leerlingen. Ze was altijd de jongste, omdat ze drie keer een klas mocht overslaan. Ze leerde goed praten en werd een soort paradepaardje van de school. Een à twee keer per week moest ze mee naar propagandabijeenkomsten bij christelijke verenigingen verspreid door het land, waar ze een uit het hoofd geleerd toneelstukje opvoerde om haar spreekkunsten te laten zien. Daarna ging de collectebus rond voor Effatha. Als tienjarige mocht ze voor koningin Wilhelmina het 'Onze vader' opzeggen. Na het noemen van haar naam kwam natuurlijk de vraag: Ben je naar mijn kleindochter vernoemd. "Nee," zei Visser, "ik ben tien en Beatrix is negen."
Iedereen koppelde haar naam aan Beatrix. Ze hield er het naamgebaar 'Prinses' aan over. Bea vindt het achteraf verwijtbaar dat de school haar gebruikte als paradepaardje. "De andere leerlingen kregen een hekel aan mij door die privileges."
Ondanks haar goede leerprestaties leken de kansen voor Visser beperkt. Toen ze op veertienjarige leeftijd haar diploma kreeg, adviseerde de school haar ouders om haar op een naaischool te doen. Het beroep van naaister was het meest haalbare voor een doof meisje. Maar Visser had een hekel aan naaien. Zonder medeweten van haar ouders liet ze zich testen bij het arbeidsbureau en met die resultaten in haar zak begon ze naast de naaischool aan avondopleidingen. Het was heel zwaar, omdat ze het onderwijs maar moeizaam kon volgen. Er waren destijds nog geen doventolken. Maar het lukte haar om diploma's te halen en een baan te vinden bij de gemeente Dantumadeel. Ze werkte er zes jaar, maar voelde zich eenzaam als enige dove op haar werk en in haar woonomgeving. Het idee rijpte om terug te gaan naar Den Haag, waar ze het grootste deel van haar jeugd had doorgebracht. Daar zaten zoveel oud leerlingen van Effatha en zou ze een sociaal leven kunnen hebben. Door bemiddeling van Effatha kwam ze terecht bij de gemeente Den Haag op de afdeling Sociale zaken.

Verliefd
Naast haar werk, stortte Visser zich met al haar energie op belangenbehartiging voor doven. Hoe lastig ze het ook vond om paradepaardje te zijn, toch bleef ze haar hele leven die voorbeeldfunctie vervullen. Met andere doven richtte ze tal van organisaties op om de belangen van doven te behartigen en gebarentaal te promoten. Op haar eenenveertigste werd Visser voor het eerst van haar leven verliefd. Het gaf veel onrust en verwarring omdat ze een relatie kreeg met een vrouw. Opnieuw was er het besef, dat ze anders was en weerstand opriep. De dovengemeen schap is klein en homoseksualiteit was nog een taboe. Na verloop van tijd besloot ze er openlijk voor uit te komen en richtte opnieuw een organisatie op voor dove homoseksuelen, Het

Roze Gebaar.
Na haar pensionering keerde Visser terug naar het noorden. Ze woont nu in Zwolle aanvankelijk met haar partner, maar sinds enkele jaren alleen. Nog steeds wordt ze her en der gevraagd om gebarentaalles te geven en ouders van dove kinderen weten haar te vinden voor steun en advies. Ze is voorleesoma in gebarentaal voor de dove en slechthorende kinderen van de Enkschool. Zwolle is ook een mooie uitvalsbasis om haar dove vrienden in het hele land te bezoeken. Visser is vergroeid met de trein. Haar doofheid bracht dat met zich mee. Als klein meisje kreeg ze een bord om haar nek, zodat de conducteurs en medepassagiers haar zouden helpen om van Den Haag naar Leeuwarden te komen. Helaas is Visser nu op haar 72e nog steeds afhankelijk van haar medepassagiers. Treinwijzigingen worden alleen omgeroepen en niet visueel bekend gemaakt. Het is een van de strijdpunten waar Visser nog steeds voor wil knokken.

Bea Visser in het theater
Bea Vissers faam als gebarentaaldocent bereikte in 1981 ook de theaterwereld. Op een dag belde Jo Dua, regisseur van de Haagse Comedie. In die jaren was er voor doven nog geen teksttelefoon en een collega bij de gemeente Den Haag nam altijd haar telefoon op. De collega was behoorlijk opgewonden en maakte een afspraak voor Visser in de schouwburg. De Haagse Comedie had de rechten gekregen om een Nederlandse versie van het stuk 'Children of a lesser god' te spelen. Aan Visser de vraag of ze Willem Nijholt en Rick Nicolet en enkele andere spelers gebarentaal wilde leren. Het was snel geregeld. Visser werd voor drie middagen per week overgeplaatst naar de afdeling Kunst en bracht die vervolgens negen maanden lang door in de schouwburg. Visser had nog nooit een theater bezocht. Wat had een dove daar, toen nog zonder tolk, te zoeken? Het lukte Visser samen met de dove Jean Couprie, die een theateropleiding had gevolgd, om de acteurs in negen maanden klaar te stomen. Apetrots was Visser op de gebarentaalvaardigheid van Willem Nijholt. Het stuk werd tweehondervijftig keer gespeeld. Regelmatig ging ze mee met de artiestenbus naar voorstellingen in het land. Later ontpopte Willem Nijholt zich als een ambassadeur voor doven.
Twee jaar later herhaalde de geschiedenis zich. Theaterproducent John van der Rest vroeg haar of zij aan zijn vrouw Josine van Dalsum gebarentaalles wilde geven. Van Dalsum zou de rol van dove Sarah spelen in deze nieuwe versie van het toneelstuk. Deze keer kwam er verzet vanuit de dovenwereld. Doven emancipeerden in rap tempo en men was het er niet mee eens dat een horende actrice de dove Sarah zou spelen. Die rol moest naar een dove actrice gaan. Visser loste het praktisch op. Op teletekst kwam een advertentie: dove toneelspeelster gevraagd. Toen er niemand reageerde besloot Visser dat ze door moest gaan met gebarentaallessen aan Van Dalsum.
In 2003 stond Visser zelf op de planken. Het Handtheater, een theatergroep die tweetalige voorstellingen maakt in gebarentaal en Nederlands, zou de gebarentaalversie van De Vagina Monologen gaan uitvoeren. Het toneelstuk zou gespeeld worden door acht dove en acht horende vrouwen. Visser deed auditie en werd geselecteerd. Het was meer dan alleen acteren. Heel persoonlijke pijnlijke verhalen van de speelsters kwamen in de plaats van de oorspronkelijke verhalen van Eve Ensler. Visser beleefde opnieuw de angst bij haar eerste menstruatie en de paniek rond haar coming out. Zoals zoveel doven was ze niet voorgelicht en had ze tot haar veertigste nog nooit van het woord lesbisch gehoord. De repetities waren intensief en intiem. Op 13 februari 2003 was de première in De Brakke Grond voor een uitverkochte zaal en de recensies waren lovend. Het toneelstuk werd nog vijfendertig maal door heel Nederland opgevoerd.

Kader
De verlanglijst van Bea Visser
Mede door Vissers inspanningen, is er veel veranderd ten gunste van doven. De belangrijkste veranderingen zijn de invoering van gebarentaal en het recht op een tolk gebarentaal in het onderwijs en het maatschappelijk leven. Veel dove kinderen krijgen tegenwoordig een cochleair implantaat (CI), een soort electronisch binnenoor, waardoor ze beperkt kunnen horen. Vanuit een medische benadering lijkt gebarentaal daarom minder noodzakelijk. Visser pleit ervoor om de dove kinderen met CI wel gebarentaal te leren. "Een stukje van hun ziel zal altijd doof blijven.".
Wat ze graag nog wil meemaken tijdens haar leven:
- Ondertiteling van alle televisieprogramma's
- Visuele informatievoorziening bij de NS
- Wettelijk erkenning van Nederlandse Gebarentaal

Info: boek: Bea Visser, Dove Prinses, door Petra Essink, 21,20 incl. verzendkosten, te bestellen via www.petrapen.nl of door en email naar Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Bea Visser bracht als echte friezin in 1963 de Elfstedentocht tot een goed einde. Van de tienduizend toerrijders haalden er maar negenenzestig de finish!)

blank.jpg