Tommy Wieringa

Een ding is zeker: Joe Speedboot van Tommy Wieringa hoort tot de beste tien Nederlandstalige romans van het afgelopen jaar. Wieringa kreeg voor dit boek maar liefst vier nominaties. Voor de Librisprijs is hij nog in de race. Op 8 mei krijgt hij te horen of hij de ‘spekkoper’is. Het is te hopen dat het verschijnen van zijn nieuwste boek, de juryleden niet ontgaat .

Deze bundel met reisverhalen, ‘Ik was nooit in Isfahaan’, maakt duidelijk uit welke rijke bronnen hij put.

Tommy Wieringa is kampioen in metaforen

 Hij is zojuist teruggekeerd uit Italië na een week in een klooster. Het was even nodig na alle hectiek van de afgelopen tijd, waarin hij meedong naar literaire prijzen en voortdurend bezig was met lezingen en interviews. De energie straalt van hem af, zoals hij in de prille voorjaarszon over het erf van zijn houten huis aan de Vecht rondloopt, in zijn schipperstrui, op rubberlaarzen, een pet op zijn kop. Binnen bij de houtkachel wacht er werk.

Hij is bezig met een nawoord bij een herdruk van ‘Kroniek van een aangekondigde dood’ van Garcia Marquez. Na het weekje monnikenwerk in Florence kan hij er weer tegen . Hij is het soort schrijver, dat vertrouwt op discipline en zitvlees, maar toch is hij zichtbaar opgelucht dat de contouren voor een nieuwe roman er weer zijn. ‘Ik ben weer los’ stelt Wieringa tevreden vast.

Nu ‘Joe Speedboot’ Nederland heeft veroverd, zijn reisverhalen juichend zijn ontvangen en zijn eerdere roman ‘Alles over Tristan’ opnieuw wordt uitgegeven, lijkt de roem vanzelfsprekend, maar dat was het allerminst. In een van zijn reisverhalen schetst hij het Parijs, waar hij 15 jaar geleden ronddoolde op bezoek bij een teleurstellende geliefde, zonder cent op zak. Hij vergelijkt zich daar met Jan Cremer en stelt ongelukkig vast. ‘Cremers Parijs was er een van zondige overvloed, het mijne van deugdzaam gebrek’.Maar dan is er het inzicht: ‘Armoede is dragelijk, wanneer schaamte zich omzet in brutaliteit. Misschien bestond de ware liefde . Misschien verkochten ze op een dag mijn boeken in Parijs’. En ja hoor vijftien jaar later wandelt hij door de Rue Saint Martin, vlakbij het Louvre en ziet het boek Tout sur Tristan in de etalage liggen ‘Mijn boek. Zal ik naar binnen gaan en iedereen daar kussen?’

Wanderlust
Zijn bundel reisverhalen lag eigenlijk al een tijd te wachten. Hij had het eerder uit willen

geven maar zijn uitgever vond de tijd nog niet rijp. Reislust was er vanaf het moment dat hij weg liep van huis ergens in de puberteit. Voor hij in slaap viel op een talud in Emmen, realiseerde hij zich dat: ‘niemand wist waar ik was. Ik kon links gaan of rechts gaan, de enige beperking van mogelijkheden lag in mij zelf en niet bij iemand anders’. ‘De roes van wanderlust en onvindbaarheid’moest hij omwille van zijn opleiding nog even onderdrukken, maar het reisgen, dat hij, naar zijn zeggen, van zijn moeder heeft geërfd, is stevig aanwezig en zal zijn leven wel blijven bepalen. Het was zijn moeder, die het nodig vond om hem in Zutphen naar de Vrije school te laten gaan, op anderhalf uur reizen van zijn ouderlijk huis in Almelo. Half zeven opstaan en dan met de fiets, de bus en de trein en dat vijf jaar lang. ‘Het was eigenlijk doodvermoeiend’maar toch kijkt hij erop terug als de gelukkigste tijd van zijn leven. Dat had niet te maken met de antroposofie, ‘een dwaalleer en onbewijsbare achterlijkheid’, maar met de vriendschappen, die daar ontstonden. ‘En natuurlijk is het meegenomen, dat je op zo’n school kan schilderen, hout bewerken en zanglessen krijgt’. Voor

zijn studie geschiedenis gaat hij naar Groningen, de stad waar zijn moeder een winkel heeft vol Aziatische kleding, beelden en sieraden. Het is een studie die bij hem past: ‘Ik heb er goede bronnen aan overgehouden en eigenlijk leer je er veel beter zoeken dan op de school voor de journalistiek’. Maar het reizen trekt meer en na een half jaar Zuid Amerika en Caribisch gebied, lukt het niet om verder te komen dan zijn al verworven propedeuse. Hij heeft twee ambities: schrijven en reizen en de school voor journalistiek lijkt een mogelijkheid te bieden om daar een bestaan van te maken. In het tweede jaar op de School voor Journalistiek in Utrecht schrijft hij een debuutroman, maar Het is een ‘wervelend’, ‘zinderend’ boek, ‘dat spettert van vertelplezier’en ‘leest als een trein’, om maar enkele recensenten te citeren. ‘Snel en jofel’meent de Stentorrecensent, te snel en jofel, waar het om erotiek en seks gaat. Het is een kritiek die Wieringa graag weerspreekt. ‘Seks is de bananenschil van de schrijver’meent hij en juist bij seksscènes moet je je onthouden van metaforen. Terwijl Wieringa volgens zijn recensenten kampioen is in het bedenken van metaforen heeft hij heel bewust de seksscènes zo sec mogelijk opgeschreven. Joe Speedboot is de roman van de kleine tragiek, vindt hij zelf. ‘Geen Griekse tragedie maar de tragiek van desillusies , van verlies van onschuld, van het gecorrumpeerd raken door eigen belang’. Zijn verteller in de roman zit in een rolstoel is spastisch en kan niet praten. Wie het boek leest, vermoedt dat Wieringa ervaringen heeft met gehandicapten en de ouderlijke zorg en schuldgevoelens, die daarmee samenhangen. Maar niets van dit al. Wieringa heeft zijn ‘Fransje’ gebruikt om een roman te construeren. ‘Als een hondsvot van een vent heb ik verschrikkelijke dingen met hem laten gebeuren’. Dat alles omwille van de literaire roman, dat toch het genre is waar hij mee wil excelleren. Ook zijn reisverhalen zijn geen journalistieke reisverhalen maar literaire verhalen. ‘Het is een eeuwige competitie met je eigen demonen om de perfecte roman te schrijven. Ze zitten op je schouder en roepen hun kritiek: ‘Niet te barok, niet te vlug, te veel woorden, preciezer!’ ‘Het is net als rugby, het roept hetzelfde competitiegevoel bij me op. Zonder competitiedrang schrijf je nooit een grote roman’.

blank.jpg